Geluk volgens…

by Anne

“Het goede en geslaagde leven staat volgens Aristoteles gelijk aan het gelukkige leven.”

 

Geluk volgens Aristoteles

“Goed” ben je wanneer je je volledige potentieel zo optimaal mogelijk benut. Goed zijn is dus “de beste versie” van jezelf zijn. Een gelukkig leven hoeft niet per se een leven vol genot te zijn. Geluk en genot zijn twee verschillende dingen, maar kunnen wel samengaan.

Geluk wordt door Aristoteles aangeduid met het begrip eudaimonia: het Griekse woord eu (goed) en daimon (ziel). Geluk is dus (streven naar) het hebben van een “goede ziel”. Eudaimonia bereik je door je verstand te gebruiken. Wanneer je je verstand optimaal (en dus naar het volledige potentieel)  gebruikt kom je volgens Aristoteles uit op “de gulden middenweg”: het midden tussen twee uitersten. Dit midden wordt een “deugd” genoemd. Neem bijvoorbeeld de uitersten overmoed en lafheid; de deugd (het midden) is dan moed. Bij het ene uiterste zie je een overschot en bij het andere uiterste zie je een tekort aan de betreffende deugd. Door je verstand te gebruiken kies je voor de middenweg en wordt je een deugdelijk mens. Deze gedachte wordt ook wel de “deugd(en)ethiek” genoemd.

 

 

It is best to rise from life as from a banquet, neither thirsty nor drunken.

 

 

De deugdethiek richt zich op de vraag “hoe moet ik leven?” in tegenstelling tot de andere ethische stromingen die meestal gericht zijn op de vraag “wat moet ik doen?”. In de deugdethiek draait het dus om het ontwikkelen van een goede levenshouding, en niet zozeer op het opstellen van normen.

Een goede levenshouding,  oftewel een levenshouding gebaseerd op deugden en het ontwikkelen van een goed karakter, bereik je door van deugden een gewoonte te maken. Een gewoonte of deugd ontwikkel je door herhaald gedrag. Zolang het herhalen van het gedrag nog pijn of moeite kost, is het nog geen deugd of karaktereigenschap. Een deugd is pas ontwikkeld wanneer je vrijwillig een keuze maakt door het gebruiken van je verstand en je er helemaal achter staat.

 

Om deugden te ontwikkelen en dus altijd de middenweg te kiezen is beheersing nodig.

 

De “ondeugdelijke mens” heeft volgens Aristoteles namelijk slechte verlangens. Deze mens geeft toe aan die slechte verlangens, ook al weet hij verstandelijk dat ze niet deugen. De beheerste mens heeft zijn slechte verlangens al onder controle; hij kiest voor de middenweg maar zou liever anders handelen.

Dan is er de deugdelijke mens; hij wordt niet geteisterd door slechte verlangens: hij verlangt alleen het goede, omdat alleen het goede aangenaam voelt. Hij heeft zijn deugden dus ontwikkeld en leeft het gelukkige leven.

 

 

 

 

Excellence is an art won by training and habituation. We do not act rightly because we have virtue or excellence, but we rather have those because we have acted rightly. We are what we repeatedly do. Excellence, then, is not an act but a habit.

– Aristotle

 

 

 

 

Veel mensen hebben het einddoel van de deugdethiek, eudaimonia, nog niet bereikt. Zij hebben moeite met het kiezen van de middenweg vanwege het verlangen naar de uitersten. Zij worden afgeleid van de middenweg door sneller lonend gedrag dat uiteindelijk schaadt, in plaats van zich te beheersen en zich te concentreren op de lange termijn. Zij hebben de vaak de kennis om deugdelijk te handelen, maar gebruiken deze niet omdat het verlangen naar een snelle beloning sterker is, ze pijn willen vermijden of omdat ze het herhalen van deugdelijk gedrag gewoonweg niet kunnen volhouden. Ook heb je hen bij wie het vermogen ontbreekt om vooruit te denken, zoals bijvoorbeeld kinderen.

 

 

De kunst is dus volgens Aristoteles moeite te willen doen voor het uiteindelijke geluk.

 

 

Geluk komt niet zomaar uit de lucht vallen wanneer je er om vraagt. Je zult bij jezelf ten rade moeten gaan welk potentieel je in jezelf hebt laten liggen. Gebruik dit potentieel ook om de middenweg te vinden, deugden te ontwikkelen en “slechte” verlangens te weerstaan. Het kost wellicht tijd en moeite, maar dan heb je ook wat.

 

 

 

 

 



 

 

 

 

 

 

Geluk volgens Spinoza

 

Baruch Spinoza, Benedictus de Spinoza, Bento d`Espinosa of zoals hij het liefst aangesproken werd; “Bento”, was een groot denker tijdens de Verlichting.

 

Spinoza (zoals wij hem doorgaans noemen) was zowel natuurfilosoof als rationalist.

 

Dat laatste betekent dat hij er van uit ging dat de ratio de enige bron van kennis is. Een bewering die niet gestoeld was op de rede erkende hij dan ook niet als waar. Spinoza stond voor het gebruiken van je redelijke verstand, hetgeen mooi aansloot op de Verlichting.

 

 

De verlichting, ook wel de “Eeuw van de Rede” genoemd, was een periode waarin men kritischer begon te kijken naar zaken zoals religie, geloof, God en bijgeloof (maar ook politiek, wetenschap en filosofie werden onder de loep genomen). Het machtsmisbruik door de kerk werd besproken en haar beweringen werden zwaar beproefd. In plaats van alles wat de kerk zei klakkeloos over te nemen, daagden de voorstanders van de Verlichting de bevolking uit zélf na te denken en hun rede te gebruiken.

Dit verliep natuurlijk niet zonder slag of stoot, dat gegeven zie je ook terug wanneer je de levensloop van Spinoza nagaat. Hij werd niet alleen bekritiseerd, (fysiek) aangevallen en van godslastering beschuldigd, hij werd zelfs verstoten uit zijn (Joodse) gemeenschap en daarmee zijn familie.

 

 

Al had Spinoza had een Joodse achtergrond en werd hij ook zodanig opgevoed, hij stelde al snel vast dat de heilige geschriften die hij las “uitvindingen van de menselijke fantasie” waren. Hij ging zelfs zo ver te ontkennen dat God een menselijke gedaante en menselijke eigenschappen heeft.

Sterker nog; hij schreef de “stractatus theologico-politicus”, waarin hij bepleit dat de Bijbel zichzelf tegenspreekt en dus niet betrouwbaar is.

 

 

Ook schrijft hij dat de burgers de vrijheid moeten hebben voor hun eigen gedachten en dat Democratie de meest redelijke en vrije staatsvorm is. Hij geloofde dus niet dat de tien geboden en dus ook de heilige geschriften van God kwamen, de Bijbel was er volgens hem alleen om het volk te leren te gehoorzamen.

Spinoza geeft net zoals Aristoteles antwoord op de vraag “hoe moet ik leven?” in plaats van “wat moet ik doen?”. Dit doet hij in zijn  boek genaamd “Ethica” waarin God, de aard en oorsprong van de geest, de oorsprong, aard en macht der “aandoeningen” en de menselijke vrijheid behandeld worden.

 

Ook door deze filosoof wordt het belang van deugden en geluk benadrukt. Daarnaast hoort vrijheid er nog bij; en vrij ben je pas wanneer je redelijk en volgens je natuur leeft.

 

Geluk bereik je door onderzoek te doen naar de wereld (met name de natuur) en daar ideeën gebaseerd op de ratio bij op te stellen. Oftewel; je moet kennis hebben van de wetten van de natuur om geluk te kunnen realiseren. De mens is onderhevig aan invloeden van buitenaf en kan zich daar alleen door middel van kennis tegen bewapenen.

Ontoereikende ideeën over de natuurwetten (bijvoorbeeld: “De oogst is mislukt omdat God ons straft”) worden veroorzaakt door een gebrek aan inzicht. De kennis van je aandoeningen (hartstochten/emoties afgeleid van de (hoofd)hartstochten: begeerte, blijdschap en droefheid )  is net zo belangrijk.  Met die kennis kun je gevoelens die je hinderen in het gebruik van je rede loslaten.

 

Begeerte (cupiditas): begeerte is een belangrijk begrip in de filosofie van Spinoza; volgens hem is de mens “het wezen dat gekenmerkt wordt door begeerte”.

 

Die begeerte ontstaat uit de necessiteit te streven naar zelfbehoud . Begeerte is een drang, beïnvloedbaar door factoren van buitenaf. We bevinden ons dus allemaal in een toestand van streven; streven te overleven, jezelf te verbeteren, je goed te voelen en onplezierige zaken te vermijden.

Wij zijn ons hier als mens bewust van, hetgeen ons onderscheidt van dieren. De mens heeft de begeerte vreugde te beleven in het bestaan en het handelen, daarmee is de begeerte de essentie van de mens.

 

 

 

“Elk ding tracht, voor zo ver het van hem afhangt, in zijn bestaan te volharden”,

aldus Spinoza.

 

 

 

 

 

Het is de rede eigen om het eeuwige der dingen te zien.

 

Wanneer we de band en de wisselwerking tussen mens en natuur leren te doorgronden en te ervaren zal de kennis die we dan opdoen zélf een emotie worden; de verrukking van het begrijpen. Om die band te kunnen ontdekken zal je je het volgende moeten realiseren: Alleen door de natuur te kennen, kennen we God.

Natuur is God en God is natuur; alles bestaat uit één substantie (ook wel monisme genoemd).

 

Nee, er is geen God naar het menselijk evenbeeld dat vanaf een hogere positie over ons oordeelt. Nee, er is geen God die alles binnen een week heeft geschapen. God/de natuur is oorzaak van zichzelf (causa sui). God is in ons, in de natuur, alles ís God.

 

Vaak wordt deze zienswijze omschreven als “pantheïsme”; God, natuur en het universum zijn één en het goddelijke is dus alomvattend en immanent (in alles aanwezig) volgens Spinoza.

 

 

Met ons menselijk vermogen kunnen we twee attributen (primaire eigenschappen) van God/de natuur waarnemen. Ten eerste ideeën. Alle ideeën zijn een toestand van het denken: de geest.

Ten tweede nemen we objecten waar: toestanden van uitgebreidheid. Alle attributen zijn een uitdrukking van dezelfde substantie en ieder idee moet met een toestand van uitgebreidheid overeenkomen; zo is de geest met het lichaam (vorm van uitgebreidheid) verbonden.

 

De natuur/god is een zichzelf voortbrengend proces, het heeft zichzelf veroorzaakt.

 

De mens bijvoorbeeld, is dat niet. De natuur/God kreeg daarom van Spinoza de naam natura naturans (de scheppende natuur) en de rest (voortkomend uit die natuur) de naam natura naturata (de geschapen natuur). Alleen het “Al” is scheppend, de mens is namelijk nooit helemaal vrij. Al zouden we bevrijd zijn van onze innerlijke “aandoeningen”, we zijn nooit vrij van aandoeningen van buitenaf (we worden er op een bepaalde manier door “geschapen”).

 

Dat neemt niet weg dat het loslaten van de aandoeningen die het gebruik van je rede in de weg staan een goede zaak is. Vrijheid is volgens Spinoza dan ook niet de “vrije wil” maar het bestaan en handelen vanuit je eigen aard zonder van buitenaf ergens toe gedwongen te worden.

 

Autonoom en gebaseerd op rede handelen is de deugd die Spinoza aanraadt. De rede is één van de belangrijkste soorten kennis die we kunnen opdoen.  Door stelselmatig en consequent te redeneren doe je de juiste kennis op. Deze kennis kun je inzetten om je begeerte te regelen en geluk in je leven te brengen.

 

De “Imaginatio”/verbeelding is volgens Spinoza de laagste vorm van kennis; kennis die we van “horen zeggen” hebben of zintuigelijk hebben opgedaan. Deze kennis kan ons flink benadelen doordat we ons in onwetendheid aan bepaalde hartstochten/aandoeningen kunnen binden en daardoor begeerte kunnen omvormen naar slechte gewoonten, dwalingen, onzekerheid of verslavingen.

Toch is de verbeelding erg belangrijk; het bepaald de dynamiek van je aandoeningen, of de verbeelding nou waar of “vals” is.

 

Het inzien van de “goddelijke noodzaak van het bestaan van de dingen” is volgens Spinoza vrijheid, deugd én geluk.

(Ethica deel V: over de macht van het verstand, ofwel over de menselijke vrijheid)

 

De geest is volgens Spinoza “een deel van het oneindig verstand van God”.

Intuïtie is volgens Spinoza dan ook de hoogste vorm van kennis; Intuïtief inzicht kan ons helpen nóg meer te begrijpen en te doen om een beter leven te leiden en ons gelukkiger te voelen. Intuïtieve kennis is direct en betreft het “Al” en de natuurlijke wetmatigheden. Door deze vorm van kennis kunnen we  “Amor Dei Intellectua” (liefde voor god door verstand) bereiken. We staan dan “in contact” met het Al; naar mijn verwachting een enorm mooie, serene en gelukzalige ervaring.

 

“De menselijke macht is dus ook een deel van de oneindige macht God of Natuur” geeft aan dat we niet volledig onderhevig zijn aan onze aandoeningen en aan invloeden van buitenaf;

 

we kunnen wel degelijk werken aan ons geluk.

 

Leave a Comment